17/08/2026
Met het neologisme ‘sainteur’, bedacht door rechtshistoricus Léo Verriest (1881-1964, werkzaam bij het Rijksarchief Bergen en het Algemeen Rijksarchief), duiden mediëvisten mannen en vrouwen aan die zich in de middeleeuwen verbonden aan een heilige en diens klooster. Hun statuut bevond zich ergens tussen vrijheid en lijfeigenschap.
Net als lijfeigenen gaven sainteurs hun statuut van onvrije persoon via de moeder door. Ze moesten jaarlijks een klein bedrag betalen aan hun heer, wat hen herinnerde aan hun afhankelijke positie. Net als bij lijfeigenen moesten de nakomelingen van sainteurs bij het overlijden van hun ouder een vergoeding betalen. Meestal kwam het erop neer dat de heer het waardevolste bezit van het huishouden opeiste, of het nu ging om een eenvoudige kookpot, een kledingstuk of een stuk vee.
In tegenstelling tot lijfeigenen waren sainteurs echter vrijgesteld van bepaalde zware diensten en genoten ze minder belastende heffingen. Vermoedelijk hadden ze ook een grotere bewegingsvrijheid.
Sainteurs kwamen voor op het hele grondgebied van het huidige België, zo ook in Namen, waar de kanunniken van de kerk Saint-Pierre-au-Château in de 14de eeuw een lijst van hen opstelden (illustratie nr. 1). Toch waren ze vooral aanwezig in Henegouwen en de regio Doornik. Verschillende akten van ‘assainteurement’ werden bijvoorbeeld opgenomen in cartularia van de vrouwenabdij Notre-Dame van Ghislenghien (illustratie nr. 2).
Dankzij akkoorden met verschillende kerkelijke instellingen wisten de graven van Henegouwen zelfs het recht te verwerven om bepaalde vergoedingen te innen die sainteurs verschuldigd waren aan de kerkelijke instellingen waarvan zij afhankelijk waren (illustratie nr. 3). Zo vinden we sainteurs terug in de rekeningen van de Thesaurie van Henegouwen en in de zogenaamde ‘Rekeningen van de dode hand’. De bewaring van deze archieven is vandaag verdeeld over het Algemeen Rijksarchief, het Rijksarchief Bergen en de Archives départementales du Nord (Rijsel).
📜 Illustratie 1: Lijst van de sainteurs van het kapittel Saint-Pierre-au-Château in Namen, opgesteld tussen 1357 en 1363 (Rijksarchief Namen, Kerkelijke archieven, nr. 792).
📜 Illustratie 2: Tafel van een cartularium met betrekking tot de akten van ‘assainteurement’ in het bezit van de religieuzen van Ghislenghien, opgesteld ca. 1297-1310 (Rijksarchief Doornik, Cartularia, nr. 16).
📜 Illustratie 3: Vermeldingen van ‘beste kateil of beste hoofd’ geïnd door de grafelijke administratie van Henegouwen, onder meer in Élouges. Zo moesten de nakomelingen van Adrien le Clerch en Marie de Villeir een kledingstuk en een paard afstaan aan de grafelijke ambtenaren (Rijksarchief Bergen, Thesaurie van de graven van Henegouwen, nr. 48, perkamenten rol, 1351-1352).
📜 Illustratie 4: Fragment uit het ‘Oud Renteboek’ van Oudenaarde, waarvan de tekeningen het plattelandsleven in de 13de eeuw illustreren (KBR, handschrift 1175, fol. 177r). Dit handschrift kan online worden geraadpleegd via https://uurl.kbr.be/1065636).
👉 De charterverzameling van de Thesaurie van de graven van Henegouwen werd in 1985 geïnventariseerd door Gabriel Wymans. De lijst van stukken uit dit archief is raadpleegbaar via AGATHA: https://agatha.arch.be/nl/data/ead/BE-A0524_706148_703158
👉 De cartularia die bewaard worden in het Rijksarchief Doornik zijn gedigitaliseerd en beschikbaar via AGATHA: https://agatha.arch.be/nl/data/ead/BE-A0527_700140_712758
👉 De archieven van Léo Verriest kunnen geraadpleegd worden in het Rijksarchief Bergen: https://agatha.arch.be/nl/data/ead/BE-A0524_706564_707873