25/05/2026
Het Cordewagencruyers of Arbeidersgilde van Bergen op Zoom bestond reeds in 1431. De oudste keur van dit gilde dateert uit 1571. Vanwege het groot aantal leden zijn de bierkruiers later een afzonderlijk gilde begonnen. Het arbeidersgilde was een groot gilde met veel leden. Ieder jaar voor Driekoningen (6 januari) dienden de leden een lijst met namen in te leveren bij het stadsbestuur, waaruit de deken en drie of vier gezworenen gekozen konden worden. In 1754 waren er volgens opgave van het gildebestuur 86 gildebroeders. De gildebroeders zorgden voor het lossen van schepen en het bezorgen van de lading bij de klant. Voor ieder product dat bezorgd moest worden gold een vastgesteld tarief. Het stadsbestuur stelde deze tarieflijst vast. Iedere inwoner kon zodoende zelf zien wat de transportkosten van de bestelde producten waren. ( vergelijk met de tegenwoordige zzp’ers die voor tal van bedrijven pakjes bij klanten bezorgen. ) Ook in de periode voor 1810 waren deze transportarbeiders kleine zelfstandigen, maar dan in het bezit van een kruiwagen, later ook in bezit van een paard met wagen. Zij moesten lid zijn van het gilde waarvoor zij volgens de keur maar liefst twaalf carolisguldens en één stuiver als inkomgeld moesten betalen. Een derde van dat bedrag ging naar de drossaard, een derde naar de schepenen en een derde naar het gilde. 8 De stuiver was bedoeld voor de gildeknecht of gildeknaap. Men moest dobbelen, ook wel smakken genoemd, om het werk te krijgen. Men hanteerde daarbij een vast systeem. Het dobbelen of smakken deed men op de blauwe steen voor het gildehuis bij het Spui. Een samengesteld complex met een spuihuis met sluisje, een toren, een brandwachthuisje en het gebouwtje van het Cordewagencruyersgilde. De leden van het gilde konden hier wachten op de loting voor het lossen van de schepen. De klok van de Spuitoren werd door de knaap van het gilde geluid ten teken dat het dobbelen begon. De arbeiders die mee wilden dingen, moesten “Hooijk hooijk” roepen. (De betekenis hiervan is niet helemaal duidelijk. Mogelijk is het een verbastering van “ho, ik” waarmee men aangaf voor de ronde in aanmerking te komen. De term hooijk komt in de reglementen en besluiten regelmatig voor. Er wordt vastgesteld dat wanneer er slechts één gildebroer bij het smakken aanwezig was, hij een of twee burgers als getuige bij het werpen van de dobbelsteen moest vragen. De keur van het gilde van 1571 telt 49 artikelen, die betrekking hebben op het lidmaatschap, de boetes op overtredingen van de keur en de onderlinge zorg voor de leden bij ziekte of overlijden. De keur heeft nadien verschillende aanvullingen gekregen. Er is een ordonnantieboek van het arbeidersgilde bewaard gebleven. Hierin zijn de morgenspraken (besluiten van het gildebestuur) opgenomen. Daarin is op de eerste bladzijde het volgende gedichtje opgenomen:
“Maer hoe sal ik het maken Den Eennen sal het prijsen En den anderen die sal het laken Hoe sal ik het maken, segt het mijn Dat het idereen van passe zijn.”
Het ordonnantieboek bevat veel interessante besluiten die inzicht geven in de manier van werken van het gilde. Zo mocht er niemand dobbelen met teerlingen of kaart spelen binnen een afstand van één roede van de blauwe steen. Verder staan er veel bepalingen in over hoe men met de eigendommen van het gilde en met het beheer van het gildehuisje om moest gaan, bijvoorbeeld dat men niet mocht schelden in het huisje, maar ook dat men niet zijn behoefte mocht doen of mocht wildplassen bij de blauwe steen. Dat men geen tabak mocht “zuigen” tijdens het werk. Maar ook dat men de kachel niet mocht stoken vóór Sint Andriesdag (30 november). Er speelden soms ook discussies op over de verdeling of uitvoering van het werk. Het gildebestuur moest dan de knoop doorhakken. In 1762- 1764 speelde er een dergelijke kwestie, toen Adriaen de Bel, gezworen wijnwerker en tevens suppoost van het arbeidersgilde, voor de andere bestuursleden van het gilden werd gedagvaard. Hierbij was een rol weggelegd voor Philip Adamse Pikaar, die als gezworene op de gildekom van 1746 staat vermeld. Het ging hier om de kwestie van de dubbelrol wijnwerker en lid van het arbeidersgilde. Een dergelijke dubbelrol was wel toegestaan, maar als er sterkedrank of wijn uit een schip geladen moest worden, dan was het betreffende gildelid “onvrij” en daardoor niet gerechtigd mee te doen aan het dobbelspel om het werk te krijgen. Het lossen van bier en wijn was voorbehouden aan de bierkruiers, respectievelijk de wijnwerkers. Als je tevens wijnwerker was, mocht je daarom niet als lid van het arbeidersgilde het werk proberen binnen te halen.