27/05/2026
De begrafenis van gravin Anna Maria Sidonia van Bronckhorst-Batenburg-Steyn
26 mei 1646: een verslag van een getuige:
“Op den eenentwintigsten dag van de maand mei des jaars ons Heeren 1646 is overleden den genadige hooggeboren Vrouwe, gravin Anna Maria Sidonia van Bronckhorst-Batenburg-Steyn, weduwe van Florens, markies en graaf van Merode, vrijheer van Pietersheim. Ik begaf mij op den zesentwintigsten dag reeds vroeg naar de collegiale kerk, alwaar men haar uitvaart hield. Gansch de stad scheen in rouw gehuld; de klokken luidden traag en zwaar sedert den dageraad, en aan vele huizen hingen zwarte lakens met de wapenen der familie.
Toen ik de kerk naderde, zag ik een lange stoet van koetsen, allen met zwart overtrokken, terwijl lakeien met brandende flambouwen ter zijde gingen, ofschoon het reeds dag was. Voor de poort stonden armen en wezen, aan wie brood en aalmoezen waren uitgedeeld opdat zij voor de ziel der overledene zouden bidden.
Binnen was het aangezicht der kerk geheel veranderd. Men had de pijlers behangen met zwart fluweel, bezaaid met zilveren doodshoofden en geschilderde kwartierwapens. Rond het hoog verheven castrum doloris brandden ontelbare wassen kaarsen, zodat de lucht zwaar werd van warmte en wierook. Het scheen alsof geen straal van gewoon daglicht nog doordrong, maar alles in een donkere, gouden schemering stond.
De kist rustte hoog verheven onder een baldakijn. Men zeide dat de vrouwe gekleed lag in hare weduwesluier, met een kruis tussen de handen. Op de baar lagen haar kroon en handschoenen, doch geen andere pracht, gelijk het een christelijke ziel betaamt die zich voor Gods oordeel gereedmaakt.
De geestelijkheid trad langzaam op, voorafgegaan door jongens met bellen en wierookvaten. Daarna volgden de paters der Sociëteit Jesu, de kanunniken en de bisschoppelijke dienaren. Men zong het Dies Irae, zo droevig en machtig dat menigeen begon te schreien nog voor de mis aanving.
Achter de baar gingen de verwanten volgens hun rang. De heren droegen lange zwarte mantels en hoeden met neerhangende veren; de dames waren geheel gesluierd zodat men hun gelaat nauwelijks onderscheiden kon. Sommigen werden ondersteund omdat zij van verdriet nauwelijks konden voortgaan.
Toen de celebrant de absolutiones uitsprak en het wijwater over de baar sprengde, hoorde men niets dan snikken, klokgelui en het slepend gezang der priesters. De geur van wierook mengde zich met die der smeltende was. Het was alsof de gehele kerk tussen hemel en graf hing.
Na afloop werd de kist neergelaten in de grafkelder harer familie. De herauten riepen luid haar titels en afkomst af, waarna men de wapenschilden omkeerde ten teken dat haar aardse waardigheid geëindigd was.
Doch hoewel allen spraken over de vergankelijkheid des levens, kon niemand ontkennen dat deze uitvaart een grote heerlijkheid vertoonde. Men zag daarin niet slechts het einde van een vrouw, maar van een gehele luister van haar huis.”