08/06/2026
Vervolg van Arie uit de Steegjes... "Wat mot je nou hebbe, stene of cement!"...
..Als een monsterachtig skelet stond de steiger om de nog in aanbouw zijnde nieuwe kerk. Het was een groot mager geraamte dat zijn klauwen nog om de nieuwgeborene heen had geslagen en die straks als de nieuwe kerk voltooid was, het zou loslaten en aan de mensen geven. De steiger was beladen met stenen en stukken puin die de metsers met een vluggen klap van de stenen afsloegen.
In het milde voorjaarsweer trilde telkens het geluid dat de troffels maakten als er een stuk van een steen werd afgeslagen. Af en toe snerpte het geluid van een zaag door de andere geluiden heen en dat klonk als muziek die de arbeid begeleidde. Doffe slagen van een hamer overstemden soms alles, maar steeds weer hoorde men het pakkend geluid van de troffel die in handen van den metser een scheppend instrument is. Die handen van de metsers waren vol eelt, nerven en pas geheelde wonden. Aan z’n handen kun je zien hoe oud een metser is. Ze moesten hard werken want het was aangenomen werk; ze verdienden een paar gulden voor het verwerken van een duizend stenen, waardoor hun spottend de naam van „Duizend poters” was gegeven.
Met centen in de kerkzak die wekelijks in de andere kerken vragend voor de neuzen der kerkgangers werd gehouden, was het kapitaal voor deze kerk nodig, vergaard. Samen met grote giften, die de paters en de pastoors aanduidden met: „Draag Uw bouwsteen bij” was het kapitaal der geofferde kleintjes uit de kerkzakken een rijk bedrag geworden. De aannemer had een flinke prijs genoemd, toen hem het werk werd opgedragen, hij vreesde geen concurrentie daar hij ook in het kerkbestuur zat, hij was het,
die een architect had benoemd en de architect was op zijn b***t erg voor den aannemerkerkbestuurder geweest. Maar de metsers moesten heel goedkoop de geofferde bouwstenen neerleggen en met hun vereelde knuisten dit kolossale werk voltooien. De sjouwers moesten, voor nog minder, zorgen dat de bijdragen voor Gods tempel voor een paar centen, waar moeder de vrouw niet eens behoorlijk het huishouden van kon doen, vier lange ladders met smalle sporten naar boven kwamen. Hun gekleurd draagkleedje op de schouder en in de nek, was het teken van hun gilde.
De gilde der zwoegers, die ’s morgens een uur eerder begonnen om de kuipen te vullen, met de moeheid van de vorige dag nog in de benen, en die tegen de avond zachtjes begonnen te vloeken, hardop mocht nu niet, want de baas was kerkmeester en het werk was een kerk, maar zachtjes dan, om hun gebed van verwensingen en godlastering omhoog te zenden, omdat hun lichaam bijna niet meer kon. Als zij tegen het einde van de werktijd even luierden, bij de stapels stenen, die maar niet schenen te minderen, schreeuwden van boven de metsers die op stenen stonden te wachten: „Stenen!....” Dan werd met een zucht de tas stenen op de schouder gezet en de monotoon gang van den zwoeger ging weer omhoog, tegen de kerk op, omhoog naar den hemel en als ze boven waren dan knikten hun knieën en vloekte de metser stiekum dat hij niet op kon schieten als hij geen stenen had. Dan weer naar beneden wat eigenlijk uitrusten moest betekenen, weer een tas stenen opnemen, die hun hals schuurde en de schouder van elk gevoel verdoofde er weer de vier lange ladders met de vele sporten, die haast geen einde schenen te hebben, mee op.
Dan gebeurde het dikwijls dat ze achter waren, dat de eerder gebrachte stenen weer door den metser waren verwerkt en deze uitdagend met de handen in de zijde demonstratief stond te wachten, met een smalend lachje op de dorre lippen. Gebeurde dat dikwijls dan was al spoedig de kerkmeesteraannemer er bij die dreigde dat hij, als hij niet mee kon komen: „Maar naar wat anders moest zoeken.” Maar dan was er een onverbreekbare band tussen de sjouwers, de jongere die hun lijven nog niet verspeeld hadden onder de duizenden lasten, wierpen zich voor de ouderen in de strijd, dan renden ze bijna hard de ladders af en zonder de stenen vast te houden er weer op, om de metser die zonder stenen stond, er wat te bezorgen en zo de ouderen makker bij te staan. Met een onverschillig lachje op het vermoeide gelaat dat tegelijker tijd schaamrood was, werden de jongeren bedankt.
Ook Arie stond tussen deze naamloze zwoegers, drie jaar was hij nu metselaar en hoewel hij nog niet volwassen was deed hij toch al hetzelfde werk als een volslagen arbeider. Hij leek ook ouder, zijn gelaat was voller geworden en zijn trekken waren door de vele vermoeienissen verouderd, alleen zijn ogen waren nog die van drie jaar terug. Op zijn verminkte hand was ook eelt gekomen en het was deze hand die ontelbare malen de troffel met wat cement uit de kuip had gehaald en de cement op de stenenlaag had neergesmeten. Zijn linkerhand werd beschermd door een stukje gummiband, dat om duim en vinger zat. Tegelijk met de neergesmeten cement legde deze hand de nieuwe steen op de verse muur. Deze bewegingen waren zo gewoon dat ze als het ware in elkaar waren gevloeid en haast niet meer te onderscheiden.
Zijn lichaam was gespierd en uit de kluiten gewassen, lang en sterk stond hij voor zijn taak, de grote achtergevel der wordende kerk, waar geen raam of deur in zat. Een grote opstaande vlakte, van een steen dikte, waartegen het altaar zou komen te staan, met daarboven het kruisbeeld van den lijdenden Christus.
Duizenden stenen had Arie in zijn handen gehad en ze één voor één op en naast elkaar gelegd. Zo was de hoge muur geworden wat zij was. Zijn pet schuin achterover op zijn blonde vlasharen, die hem hinderend voor de ogen waaiden, zijn werkhemd op de borst open over het naakte lijf waar de kalkspatten op zaten, keek Arie ernstig naar zijn werk. Hij voelde het genot van de arbeid door zijn jonge lichaam stromen en vond bouwen heerlijk. Laag bij de grond was hij begonnen, met de eerste steen op de fundering en was op duizelende hoogte bijna tot aan het dak. En hoewel de stenen ontelbaar in aantal waren, was het net of hij ze stuk voor stuk kende.
Daar en eind beneden hem, bij dat blinde toogje wat er voor versiering was ingemetseld, had hij zo’n moeite gehad om het goed te doen. En die hoeksteen daar, die had hij wel driemaal gehakt voor die goed op maat was, want elke keer gruizelde die rotsteen naar zijn mallemoer. Als er om zes uur een bel luidde die het eind van de dagtaak aangaf, dan werd er „Overal... ” geschreeuwd kon Arie dromerig naar zijn werk staan te kijken.
Arie keek eens op de klok, want je mocht dan van je werk houden, je was toch altijd blij als je naar huis kon gaan. „Drie uur, dus nog een paar uurtjes hurrie op, daar stond ie verdomme weer zonder stenen.” „Stenen…..” brulde Arie, z’n stem klonk mannelijker, niet meer zo schel jongensachtig als vroeger. Maar ouwe Piet hoorde hem weer niet en Arie zag zijn opperman in de diepte op de begane grond, rustig bezig zijn cement met een schop te keren, telkens een scheutje water er bij gooiend en dan maar weer scheppen. Nog een paar maal schreeuwde Arie, maar Ouwe Piet deed net of hij gek was. Toen besloot Arie ten einde raad maar naar beneden te gaan.
Vlug en behendig klauterde hij de vele bouwladders af. Ouwe Piet beweerde met stelligheid dat hij niets gehoord had en dat was ook niet onmogelijk, want Ouwe Piet was erg hardhorend. Met zijn hoog piepstemmetje stond het kromgewerkte mannetje driftig te redeneren, althans daar leek het op, als je hem zo zag, maar in werkelijkheid was Ouwe Piet een sukkel van een mannetje. In het begin had Arie wel eens tegen hem gevloekt, als hij niet hard genoeg sjouwde, maar Piet aanvaardde die uitbrander met een gelatenheid die Arie verlegen maakte. Ook nu weer deed Piet zijn best om Arie tevreden te stellen. „Ik heb je niet gehoord,” piepte hij. „Maar ik weet wat beters,” en hij keek even om zich heen alsof hij iets zocht. Hij beurde twee stukjes steen op van verschillende grootte. „Als je zo’n stukkie naar beneden gooit,” en hij hield Arie het kleinste onder de neus, „dan moet je cement hebben en zo’n stukje, dan stenen.” Arie knikte begrijpend, hij zou deze nieuwe manier maar eens proberen, ging omhoog en nam meteen maar een tas stenen mee. Piet volgde hem op de hielen met net zo'n stapel.
Het eerstvolgende uur sjouwde Piet trouw de stenen omhoog en Arie kon weer werken, maar toen er cement gebracht moest worden, kwam Piet weer achter en spoedig stond Arie met zijn handen in de zijde. Uit gewoonte schreeuwde hij: „Stenen...!” Maar toen bedacht hij zich, zocht een stuk steen van ongeveer dezelfde maat als Piet hem had voorgehouden en wierp het naar beneden naast den scheppende doven opperman. Maar niks hoor, Piet schepte door of zijn leven er van af hing. Nogmaals wierp Arie een stuk steen naar beneden, maar weer zag Piet er niets van. Arie werd er wrevelig van en nam een flink stuk steen, groter dan de afspraak was en gooide dat precies op de kale knikker van den Ouwe. Arie schrok, want Piet gilde hoorbaar en begon woest de ladder op te klauteren. „Nou is de boot an,” flitste het door zijn brein en hij bereidde zich vast voor op een robbertje vechten, of althans een flinke ruzie met den Ouwe.
Hijgend met zijn hand nog steeds op zijn kale knikker, kwam Piet op Arie af. Vlak voor Arie bleef hij staan, met dezelfde hand waarmee hij de bult, die op zijn hoofd was gekomen, bedekte, veegde Piet het zweet van zijn voorhoofd. Hij schraapte zijn keel en met zijn hoge piepstem vroeg hij aan den verwonderde Arie: „Wat mot je nou hebbe, stene of cement!”
Fotobijschrift: Restauratiewerkzaamheden (metselen van een rondboog in de zuidelijke zijbeuk) aan de Geertekerk in 1954.