Utrecht (vroeger en nu)

Utrecht (vroeger en nu) Utrecht is constant in beweging. Er wordt gebouwd, gesloopt. Utrecht (vroeger en nu) laat u dat zien.
(1)

Hierdoor ziet de stad er op sommige plekken heel anders uit dan vroeger, terwijl andere straten en pleinen juist al decennia hetzelfde blijven. Foto's en berichten van het oude Utrecht worden vergeleken met het nieuwe.

„Kors je mot er uit.”.....Toen de donkerte van de nacht worstelde met het aankomende daglicht, de vroege vogels hun nest...
12/06/2026

„Kors je mot er uit.”...
..Toen de donkerte van de nacht worstelde met het aankomende daglicht, de vroege vogels hun nesten al verlieten en hun eerste gefluit lieten horen, de stap van Dorus den klopbaas door de smalle straatjes had geklonken, had Arie nog niet geslapen.

De gehele nacht had hij zijn best gedaan om te slapen, omdat hij wist, dat hij ’s morgens halfbakken op de steiger zou staan en zijn werk hem onprettig zou lijken. Maar het was hem niet gelukt. Eerst was het de herrie van beneden geweest, de lachsalvo’s van de mannen en het gillen van halfdronken vrouwen, het stampen van de vele voeten op de houten vloer en toen de visite tegen drie uur in de nacht, stommelend van de trappen was geklauterd, toen waren zijn gedachten weer vervuld geweest van Greetje, van wie hij zo weinig wist en begreep.

Tientallen malen had hij de woorden herhaald, die zij tegen hem gezegd had, vooral het hem onbekende woord, dat zo’n intense warme klank voor hem had, zodat de betekenis hem weinig kon schelen. Dat woord had hij heel dikwijls herhaald en als muziek had het geklonken: „Poor Boy.”

Het leek wel zo’n geheimzinnige betoverende uitspraak van een Oosterse wijze, die er zieken mee genezen kon. Zo’n tintelend gelukzalig gevoel gaven deze twee woorden Arie. Maar hij begreep dat ze moesten worden gezegd, door het meisje waarvan hij hield, door Gré !!

Geduldig had Arie op zijn rug naar buiten liggen staren, de sterren door het morgenlicht zien verbleken, de eerste bekende geluiden gehoord en met een brandend gevoel in zijn ogen steeds aan Gré gedacht. Vastbesloten om meer van haar te weten te komen, had hij de hele nacht gesprekken met haar gehad en haar gedwongen zichzelf bloot te geven en hem te vertellen wat voor geheimen zij had.

Lange verhalen van verschillende aard had zij hem verteld, maar altijd had hij een oplossing voor haar gevonden. Net toen hij in een lichte sluimering was gevallen en meende dat alles nu in orde was, klonk de schelle stem van zijn moeder die hem wekte voor een nieuwe dag van zware arbeid, een dag waar weer honderden stenen door zijn gespierde handen zouden gaan, een dag waarop hij weer zou bouwen aan Gods tempel, waardoor andere een grote winst zouden opstrijken.

Een dag van vele verwensingen aan den aannemerskerkmeester, die maar wilde dat er steeds harder en harder door zijn slaven gewerkt zou worden. Zijn eigen moeder verstoorde de pas gekomen rust in zijn vermoeid en verontrust lichaam met de roep: „Kors je mot er uit.”

Fotobijschrift: Tekening van M. van de Weijer van de Kockstraat uit het oosten.

„Zuip je bier op, dan za’k je nog een glaasje geve.”.....Voor dat Arie naar huis was gegaan, was hij eerst nog een eindj...
11/06/2026

„Zuip je bier op, dan za’k je nog een glaasje geve.”...
..Voor dat Arie naar huis was gegaan, was hij eerst nog een eindje omgereden om zijn gedachten de vrije loop te laten. Hij kon echter hoe hij zich ook inspande niet dieper doordringen in het wereldje waarin Greetje Maasland woonde en leefde. Hij wist te weinig van haar om er iets van te kunnen begrijpen. Wel vond hij het vreemd dat Gré geen vriendinnen had, tenminste, Arie had haar nimmer met een vriendin gezien.

Toen hij thuis kwam was er een gezellige drukte in de kamer: zijn moeder was jarig en verschillende familieleden waren gekomen om haar te feliciteren. Er stonden zowaar bloemen in de kamer. De tafel was vol met glaasjes, die reeds gevuld waren geweest. Het gehele kamertje was vol mensen en tabaksrook, vele stemmen klonken dooreen en dikwijls gierde een lach van een der bezoekers door het rumoer heen. Wegens gebrek aan stoelen had Arie z’n moeder de bedstedeplank eruit gehaald en op twee stoelen gelegd om zo meer zitplaatsen voor de visite te maken.

Ome Jan die een broer van Arie’s moeder was, had natuurlijk weer het hoogste woord. Toen Arie binnen kwam was Ome Jan bezig een liedje voor te dragen, met een vuurrood gezicht en zijn stijve boord in zijn hand stond Ome Jan te zingen. Zijn stem trilde erg, zijn gelaat trok hij in vele plooien om zijn toehoorders maar aan het lachen te krijgen, wat hem lukte ook, al kende zij het liedje al lang. Maar ondanks het succesvolle lied praatten vele van zijn toehoorders toch maar met elkaar door. Met inspanning van al zijn krachten zong Ome Jan zijn liedje:

En hoe rijme we dit, hoe rijme we dat
En hoe rijme we dat tesaam
Een os, een aardappel en een milicijn
Hoe rijme we dat tesaam.
Een os, die moet je ville
Een aardappel moet je schille
Een milicijn, die moet je drillen
Zo rijme we dat tesaam.

En hoe rijme we dit, hoe rijme we dat
En hoe rijme we dat tesaam
In de zee en in de lucht en in de Zandstraat
Hoe rijme we dat tesaam.
In de zee daar zwemmen haaien
In de lucht daar vliegen kraaien
In de Zandstraat kan je pierenwaaien
Zo rijme we dat tesaam.

Het hele gezelschap begon mee te zingen en onderwijl keek Arie de kamer eens rond. Het viel hem op dat er een nieuweling in het familiegezelschap was, naast zijn zusje, zat een jongen die zich hier zichtbaar niet thuis voelde. Arie’s zusje was twee jaar jonger dan hij zelf, ze was altijd een bijdehand vroegrijp kind geweest, maar dat ze nu al verkering had en zelfs al met haar jongen thuis kwam, verbaasde Arie erg. De jongen was van zijn eigen leeftijd en zag er netjes uit, schuchter verlegen keek de jongen voor zich uit, af en toe naar zijn meisje glimlachend, dat dicht tegen hem aanhing, alsof hij bij haar bescherming zocht. Voor de jongen stond op tafel een half gevuld bierglas en toen Arie’s blikken die van de jongen ontmoetten, nam deze het glas op en dronk het manhaftig met één teug leeg.

Van vele bezoekers waren de hoofden rood aangelopen, Arie’s vader zat in de hoek met verscheidene andere mannen druk te praten, kauwend op een reuzen sigaar en alleen voor een dronk uit de gevulde glazen, werden de gesprekken onderbroken. Bij het aanrecht in het kleine aangebouwde keukentje stond Arie’s moeder zelf glaasjes drank in te schenken. Onderwijl Arie naar zijn moeder toeliep, hoorde hij één van zijn ooms, die verhit door de drank zich zeker niet goed meer beheersen kon, wat schunnige opmerkingen tegen een der vrouwen maken. En toen Arie van uit het keukentje het blauwbewalmde kamertje met de verschillende benauwde drankluchtjes en met de zweetlucht van mensenlichamen eens overzag, besefte hij dat hij hier niet meer thuis hoorde. Dat er toch wat anders en beters moest zijn dan dit rookhol vol mensen en verkeerde gewoonten.

Hij werd in zijn gedachten gestoord door zijn moeder die hem een glas bier voorhield en zei: „Je had wel es eerder thuis kenne komme as nou pas.” „En dan zeker in die zwijnekeet te zitten” voor hij het wist, had hij deze woorden gesproken. Zijn moeders gelaatstrekken drukten eerst verbazing en toen verontwaardiging uit. „Oh hij je weer wat, is het meneer weer niet goed genoeg” en kwaad liet ze er op volgen: „Ach stik van mijn part rotjong.”

Arie was deze verwijten van zijn moeder wel gewend, het zei hem niets meer of zijn moeder vriendelijk tegen hem sprak of niet. En zonder op haar verwijt in te gaan of er over na te denken vroeg hij: „Wie is die knul naas Gerry” en Arie’s blik wees naar den verlegen jongen, die naast zijn jongere zusje zat. „Daar loop ze mee,” klonk het verwachte antwoord. We hebben der nu maar met hem thuis late komme, want op de straat flerre is ook niks gedaan,” voegde zijn moeder als een soort excuus bij. „Laat Lena dan ook maar met der jonge thuis komme,” spotte Arie. Zijn moeder scheen de spottende toon van zijn woorden niet te begrijpen en antwoordde: „Lena is pas veertien en die het geloof ik nog geen jongen.” „Dat is voor jullie geen bezwaar, want zestien zoals Gerry is ook te jong,” wijsneusde Arie onverstoorbaar. Maar Arie’s moeder scheen gesloten voor verwijten en hoon. Ze vertelde met enige trots dat het zo’n nette jongen was, dat zijn vader een banketbakkerij had en dat Gerry het goed geschoten had met der nieuwe aanwinst.

Breedvoerig wijdde zijn moeder uit over het wonder van een verloofde van Gerry en Arie luisterde maar met een half oor, maar keek den jongen over wiens hoofd de lof werd gezwaaid eens goed aan en ineens voelde Arie medelijden met den jongen die zich nimmer hier thuis zou gevoelen en het waarschijnlijk de verkeringstijd wel niet zou uithouden. Nu reeds hoorde Arie zijn moeder klagen over den vrijer van Gerry, waar ze zo goed voor geweest waren en die zo’n ondankbare hond was gebleken. De kroon zou wel even snel van den jongen z’n hoofd worden afgehaald als hij er nu werd opgezet.

„Zuip je bier op, dan za’k je nog een glaasje geve.”
Het waren deze woorden die Arie wrevelig maakten en met een afwerend gebaar zei hij: „Ik ga naar bed.” Stomverwonderd keek zijn moeder hem aan en snauwde: „Nou al?” „Ja wat dach ie.” Arie’s toon was onvriendelijk. „Dat ik laat naar me nest gaat om hier met jullie te zitte zuipen en dan morgen half ziek op het steiger gaan staan.” Hij wist dat dat niet helemaal de waarheid was, Arie wilde alleen zijn, alleen met zijn gedachten, want hij had weer veel te verwerken. Greetje Maasland zat hem dwars en daar moest hij, zijn oude gewoonte getrouw blijvend, eens heerlijk alleen met zichzelf over denken.

Zonder dat de anderen er erg in hadden, zijn moeder uitgezonderd, ging hij naar boven. In zijn bed dat kraakte en veel lawaai maakte toen hij er in stapte hoorde hij nog heel duidelijk het rumoer van beneden uit de feestkamer waar nog vele liedjes werden gezongen en vele glazen gedronken alvorens de bezoekers weggingen. Arie kende de gevolgen van zo’n feest. De verschillende leveranciers zouden weer lang op hun geld moeten wachten en de huisbaas zou weer vaak moeten dreigen met de woorden: „Ik laat U het huis uit zetten,” voor hij zijn achterstallige week huur in de vingers had.
Hoe langer hij er over nadacht des temeer besefte hij dat hij aan de goede kant stond met zijn standpunt: Zo niet te willen leven...

Fotobijschrift: Familie de Kleijn viert een feestje in het kleine huisje in de Fockstraat.

„Gré, jij zal nooit mijn meissie worden”.....„Waarom ben je bang?”Toen kwam na enige aarzeling en schouderophalen een st...
10/06/2026

„Gré, jij zal nooit mijn meissie worden”...
..„Waarom ben je bang?”
Toen kwam na enige aarzeling en schouderophalen een stortvloed van woorden los, die haast niet meer te stuiten was. Nimmer van te voren had Arie zo hartstochtelijk gesproken, de woorden kwamen eerst nog bij stukjes en beetjes, maar even later vertelde het grote kind druk gesticulerend op geforceerd mannelijke manier zijn angst.

„Gré, jij zal nooit mijn meissie worden, omdat ik uit zo’n rotbuurtje komp.” Arie vergat zijn goed Hollands te gebruiken en ongemerkt vertelde hij in het ruwe taaltje van het buurtje zijn verdriet.
„Toen ik jou voor ’t eerst zag von ik jou al direct een jovele meid en gistere toen ik je thuisbrach, zag ik het huis waar jij inwoont. Ik kom uit een slop en jij uit een dure buurt. Jou vader zal nooit goed vinden dat jij de armooi ingaat met een metselaar en als hij dat goed zou vinde, dan zal jij het zelf niet wille. Maar ik ben van jou gaan houwe Gré, heus echt waar. Je mot niet nee schudden want het is wel zo, ik houd echt van je. Maar als jij ook een beetje om mij geef dan mot je dat niet meer doen, want ik wil niet dat jij met mijn in zo’n buurtje terech komp, juis omdat ik van je houd. Het is er zo rot Gré, zo verdomd rot:...”

Terwijl Arie sprak spiegelde op Gré’s gelaat de verschillende gevoelens af, het was of er tranen in haar ogen welden. „Stil maar jongen,” met beiden handen hield zij zijn droef gelaat vast: „Stil maar jongen, je hebt gelijk, ik kan nooit je meisje worden, maar niet omdat jij uit zo'n buurtje komt, bij God ik wou dat dat het enigste was. Maar hoe kan je nu van mij houden boy, van zo’n lange sladood?” Dit laatste voegde zij er spottend aan toe.

Arie trachtte in veel woorden die haast niet uit zijn keel wilde ontsnappen, haar te vertellen hoeveel hij voor haar voelde. Het lukte hem niet al Wist Gré uit zijn ogen de woorden te lezen die hij wilde maar niet kon zeggen. Toen werd het even stil, ze waren beiden met hun eigen gedachten bezig en Arie zich haar woorden van zoeven: „Maar niet omdat jij uit zo’n buurtje komt, bij God ik wou dat dat het enigste was” herinnerde. Hij keek Gré verwonderd aan: „Zou jij dan van mij kunnen houden en mijn meisje willen zijn?” „Ja boy, ik hou ook een beetje van je, misschien wel een beetje veel, maar ik mag niet van je houden jongen, dat is niet goed, denk niet dat het door je afkomst is, het is door mij dat ik nooit je meisje kan zijn.” „Dus je zou wel willen?” Arie beefde, hij zag een lichtpunt in de donkerte die in heel zijn wezen heerste. Bevend wachtte hij haar antwoord af. „Misschien wel”

Toen zij deze onzekere woorden had uitgesproken, pakte Arie haar beet en wilde haar een zoen geven. Maar Gré trok haastig haar hoofd terug en stond op van haar zitplaats. „Niet doen jongen.” Gré sprak met zachte stem. „Maak het me nu niet moeilijk.” Het was of deze woorden verdrietig klonken. Verward dacht Arie over deze vreemde houding na. Hij begreep er nu niets meer van, ze was met hem meegelopen, naar dit stille donkere laantje, was met hem in het gras gaan zitten, haar hoofd had op zijn schouder gelegen, iets wat zij zelf had gedaan en nu hij haar een zoen wilde geven was zij verdrietig geschrokken.

„Zou ze te jong, zijn,” drong het tot hem door en meteen met deze gedachte vroeg hij haar: „Hoe oud ben je Gré?” Het antwoord verbaasde hem, met haar hand streek ze haar haar glad en zei langzaam: „Twee en twintig.” Arie’s eerste opwelling was te zeggen dat ze loog, maar de ernst waarmee ze het zei deed hem twijfelen.
„Twee en twintig? ben je al zo oud, ik dacht dat je net zo oud was als ik.” „Hoe oud ben jij dan?” „Achtien, een maand geleden geworden,” toen zag Arie dat het nu Gré’s b***t was om verbaasd te kijken. Beiden keken elkaar ongelovig aan, hoewel de woorden verschillend waren klonk het bijna gelijk: „Dan ben je veel ouder als dat je er uit ziet!” „Dan ben je veel, jonger als dat je er uit ziet!”

Arie wist dat het laatste waar was, de jaren in het buurtje telden soms dubbel, door afmatting en slechte verzorging, hij wist dat er dikwijls aan zijn jonge leeftijd getwijfeld was. Waar hij ook kwam, op het werk of elders overal dacht men dat hij veel ouder was. Maar dat Gré al twee en twintig was kon hij moeilijk geloven. „Ik dacht dat je te jong was om mijn meisje te zijn”, bracht hij er moeilijk uit. Gré zei verder niets, ze staarde dromerig in de verte.

Samen liepen ze weer langs het donkere pad naar de grote weg. Door het stilzwijgen van Gré voelde Arie dat er iets was, wat ze hem niet durfde of kon vertellen. Wat hij verwachtte dat het zijn zou, was het juist niet, dat had zij zelf gezegd. Misschien wilde ze het hem later zeggen. Aan het einde van de hoofdweg, bleef Gré plotseling staan. Ze keek Arie aan en zei zacht: „Je moest maar niet verder mee gaan.” Arie schrok: „Mag ik je niet naar huis brengen, morgen ook niet?” Het kwam er een beetje jongensachtig verlegen uit, voor het eerst sedert het gesprek in het fort lachte Gré weer. „Nee jongen, natuurlijk wel, alles blijft tussen ons als het was, maar het is nu beter van niet, morgen misschien weer wel.” Ze pakte zijn hand vertrouwelijk vast: „Je moet er met geen mens over praten, dat je met mij daar geweest bent.” Haar hoofd duidde de richting van het fort aan.

Toen Arie steeds meer verwonderd haar aankeek ging ze verklarend verder: „Dat begrijp je nu nog niet, maar later zal je het beter begrijpen en zul je misschien kwaad op me zijn.” Arie lachte haar vriendelijk toe: „Ik zal alles doen, wat jij van mij vraagt,” verzekerde hij haar plechtig. „Heus jongen, zul je nooit een hekel aan mij krijgen en nooit slecht over mij denken,?” haar stem klonk smekend en het was net of zij tranen in de ogen kreeg. „Heus Gré, dat beloof ik je, ik zal nooit kwaad op je zijn, al doe je mij nog zoveel verdriet. Ik hou toch van je,” liet hij er snel op volgen.

Toen zei Gré twee woorden die voor hem nog raadselachtiger klonken dan zoveel andere woorden van Gré. Woorden die hij nu niet begreep omdat hij nimmer Engels had geleerd. Woorden die hij nog vele malen zou horen, om ze dan evenmin als nu te begrijpen, maar die hem nu als muziek in de oren klonken, zo lief en zacht klonken deze twee woorden door Gré gezegd: „Poor boy.”

Even streelde haar hand zijn wang en toen liet zij de verbaasde Arie alleen staan. Haar stomverwonderd naziend, niets begrijpend van dat lange blonde meisje, met wie hij kort geleden kennis maakte, terwijl het nu leek of hij haar reeds jaren kende. Van wie hij niet wist, dat ze haar tranen de vrije loop liet toen ze Arie alleen liet staan. Dat ze bitter huilde omdat ze was getrouwd...

Fotobijschrift: Boogstraat eindjaren 50. Rechts staat Rika Vermeer met haar moeder Beb, het jongetje verderop is Bertus van Veldhoven. Het gebouw op de achtergrond is de R.K. Paus Adriaanschool voor U.L.O. (Oudegracht 373).

„Waarom ben je bang?”... ..Maar ’s avonds na het werk, als al het vuil van zijn body was afgewassen en de moeheid wat we...
09/06/2026

„Waarom ben je bang?”...
..Maar ’s avonds na het werk, als al het vuil van zijn body was afgewassen en de moeheid wat weggetrokken was, liep Arie in zijn confectiesportcostuum, voor f 17,50 gekocht bij C.&A. Met de kraag van zijn bont gekleurd sporthemd open, slungelde hij naast een meisje, Greetje Maasland, die hij heel toevallig had ontmoet, waar hij met angstig bonzend hart naar had gekeken, maar met wie hij, ondanks haar aanmoedigende blikken haast niet een gesprek had durven beginnen. Want aan heel haar persoon kon hij wel zien dat ze van een heel andere komaf was als hij zelf. Hij kon ook niet vermoeden dat achter dat uiterlijk van het meisje, dat een hoofd boven hem uitstak, dat scherpe gelaatstrekken en een dunne smalle mond had, een dromerige natuur stak. Zij leek een nuchter meisje dat zich van elke situatie bewust was. Maar geen mens wist, dan zij zelf, dat zij avond aan avond stillekes lag te denken over dingen, die een ander overdreven romantisch gevonden zou hebben.

Op het sportveld was Arie met haar in aanraking gekomen en met haar mee gefietst. Eerst had hij zich wat geschaamd voor zijn eigen fietsje, netjes gelakt en opgeknapt, want zij reed op een fonkelnieuwe „Burgers”. Toen Arie voor het eerst het huis zag waarin zij woonde schrok hij niet weinig, het was in een straat waarin alleen maar grote nieuwe huizen stonden. Maar Gré, zoals hij haar nu al noemde, was nimmer verwaand geweest. Wel had Arie zijn beste Hollands gesproken, maar dat was zo verdomd lastig, dat hij zich telkens vergiste en dan telkens zo’n k**r van een woord, dat kennelijk zijn afkomst verraadde er door heen spekte.

Nu kende hij Gré al enige weken, ze waren beiden lid van „Sport Vereent”. Zij deed aan korfbal, terwijl Arie daar aan voetbal deed. Het was een jonge frisse vereniging, die veel voor de leden deed, zelfs toneelavonden organiseerde, daar werd ook veel tussen hun beiden over gesproken. Wanneer de duisternis begon te vallen reden bijna allen als razenden de brede asphaltweg, die langs het sportterrein lag af. Bij de enkelen die niet fietsten maar met de fiets aan de hand saampjes liepen om de tijd te rekken voor ze scheiden moesten, waren ook Arie en Gré. De kruinen der grote populieren die boven de weg elkander raakten, maakten het vroeger donker.
Hand in hand met aan de andere hand hun fiets liepen Arie en Gré langzaam de weg af, stil genietend van elkanders nabijheid.

„Waar was jij vroeger lid van, voor je bij ons kwam,” vroeg Gré nieuwsgierig en haar stem klonk melodieus in de stilte van de avond. „Nergens van,” antwoordde Arie na enig aarzelen.
„Ben je dan nog nooit ergens lid van geweest!” vroeg Gré verwonderd. Arie antwoordde niet direct, maar hij voelde dat hij Gré veel moest vertellen voor zij de waarheid wist en voor zij hem begrijpen zou. Stilletjes en in zich zelf gekeerd liep hij naast het lange blonde meisje voort, af en toe voelde hij dat haar blikken vragend op hem rusten.

Toen, om een eind aan deze spanning te maken, ging Arie haar vertellen over zijn afkomst in zijn buurtje waarin hij geboren en getogen was. Bijna niets sloeg hij over en op sobere wijze vertelde hij haar over zijn leven, over de veelvuldige vechtpartijen van vele dronken mannen, van zijn gaan naar de kerk en de teleurstelling daarin, van zijn meisjes van wie hij stiekem had gehouden, van Maria en van Jan de bakker wiens schuld het eigenlijk was, dat hij lid was geworden van „Sport Vereent” en dat hij het aan dezen vriend had te danken dat hij Gré had leren kennen. Toen Arie dit lachend tegen haar zei bloosde zij en maakte een onhandig gebaar met haar hand alsof zij hem wilde strelen.

Hoewel het niet de weg naar huis was sloegen ze zonder afspraak een smal laantje in, dat naar een fort leidde. Bij een berm hield Arie stil en zette zijn fiets tegen een van de lage jonge bomen, die langs het pad stonden. Gré deed hetzelfde en ging op een schuinoplopende berm zitten. Weifelend stond Arie voor haar en keek haar vragend aan, maar toen Gré een beweging maakte van: „Kom er maar naast,” deed hij dat maar. Stil zaten ze voor zich uit te kijken, ieder met z’n eigen gedachten. De donkerte viel en het werd killer, zwaluwen flitsten over hen heen, in drukke hoekige bewegingen. Heel in de verte floot een leeuwerik zijn melodieus lied. De bladeren in de jonge bomen begeleiden den jongen zanger en rondom was het vredig en stil.

Gré’s slanke vingers speelden met een dotje vers geplukt gras, terwijl Arie stil voor zich uit staarde in de nevelige verte, waar als een donker silhouet, het massieve fort tegen de reeds donkere lucht oprees. Zonder er op bedacht te zijn voelde Arie het hoofd van Gré zacht tegen zijn schouder leunen en aangemoedigd door deze daad, sloeg hij voorzichtig zijn arm om de smalle schouders.
Zonder een woord te zeggen gebeurde dit, maar door beide jonge lichamen joeg op hetzelfde ogenblik een vuur van verlangen en tederheid, dat voor altijd de band tussen hen zou vormen en waardoor zij, naar beider gevoelens, nooit meer te scheiden zouden zijn.

Eindelijk dorst Arie haar aan te zien, met een blik vol schuldgevoel keek hij naar het voor hem nog zo vreemde niet te begrijpen meisje, want tegelijk met de eerste aanraking die hun gevoelens vertolkten, drong tot Arie door „ik kom uit een achterbuurtje en zij....” Toen wist hij ook dat ze voor hem onbereikbaar zou zijn en zijn intens gevoel van blijdschap sloeg om in een verdrietige gelatenheid, van niet te kunnen vechten tegen dat noodlot van z’n afkomst. Zijn arm die haar stevig omhelst had, verslapte zodat Gré hem aankeek en merkte dat er in zijn ogen een andere gloed was gekomen.

„Wat is er jongen,” deze woorden drongen pas later tot Arie door, al was de klank nu al genoeg om hem te vertederen, maar pas later zou de intense warmte die er in deze woorden was opgesloten, de bezorgdheid en angst voor nare gedachten, meer betekenis voor hem krijgen. Vele malen zou hij op zijn zoldertje in het krot van de „Zeven Steegjes” deze woorden herhalen, om weer de sensatie van de trillende warmte die deze welgemeende woorden in hem deden opwellen te ondergaan en Gré met alle liefde die hij voor haar koesterde, in zijn gedachten te omhelzen en haar teder te bedanken voor de warmte die zij hem schonk. Het waren juist deze kleine dingen die Arie gelukkig maakten, juist die dingen die hij zo node gemist had en die hij in zijn buurtje nimmer had gekend.

„Wat is er jongen,” en dat op een toon die alles betekende. „Wat is er jongen”, stel je voor dat zijn eigen moeder dat eens tegen hem had gezegd, deze zou hoogstens zeggen: „Wat is er nou weer,” en driftig vermoeid er aan toevoegen „Het is met jou altijd geflikker.”
Maar nu was het: „Wat is er jongen,” gezegd door Gré, die het meende ook. Toen Gré als in herhaling verder vroeg, omdat het antwoord zolang uit bleef: „Toe zeg het maar aan mij, waarom kijk je zo verdrietig?”

Toen kon hij er met moeite uitbrengen: „Ik ben bang.”
De manier waarop hij dat tegen het overgevoelige meisje zei, was voor haar al genoeg te begrijpen, dat ze hier niet de Arie van het sportveld bij zich had, die elke bal, al was hij nog zo hard geschoten, met zijn kapot gewerkte knuisten die gehard waren door duizenden ruwe stenen, kon stoppen, die zich met zijn gespierd lichaam op de grond dorst te gooien als het spel het nodig maakte, zodat de omstanders er van stonden te kijken. Of met lange passen zijn getraind lichaam over het veld kon voortbewegen zodat haast geen ander hem bij kon houden. Het was nu een geheel andere Arie, niets anders, dan een groot kind, een jongen nog, die beschermende handen nodig had om hem te steunen in zijn gevoelens die hij van uit de benauwende bedstede waarin hij geboren was, had meegekregen. Toen hij zijn hoofd afwendde alsof hij haar niet durfde aanzien, pakte zij met haar handen zijn hoofd beet, keek hem recht in de ogen en vroeg: „Waarom ben je bang?”...

Fotobijschrift: De Zeven Steegjes gezien vanuit het zuiden, de buurt waar Arie opgroeide met op de voorgrond de huizen aan de Fockstraat en rechts de Moutstraat.
Vervaardiger: fotograaf Utrechts Nieuwsblad.

Vervolg van Arie uit de Steegjes... "Wat mot je nou hebbe, stene of cement!".....Als een monsterachtig skelet stond de s...
08/06/2026

Vervolg van Arie uit de Steegjes... "Wat mot je nou hebbe, stene of cement!"...
..Als een monsterachtig skelet stond de steiger om de nog in aanbouw zijnde nieuwe kerk. Het was een groot mager geraamte dat zijn klauwen nog om de nieuwgeborene heen had geslagen en die straks als de nieuwe kerk voltooid was, het zou loslaten en aan de mensen geven. De steiger was beladen met stenen en stukken puin die de metsers met een vluggen klap van de stenen afsloegen.

In het milde voorjaarsweer trilde telkens het geluid dat de troffels maakten als er een stuk van een steen werd afgeslagen. Af en toe snerpte het geluid van een zaag door de andere geluiden heen en dat klonk als muziek die de arbeid begeleidde. Doffe slagen van een hamer overstemden soms alles, maar steeds weer hoorde men het pakkend geluid van de troffel die in handen van den metser een scheppend instrument is. Die handen van de metsers waren vol eelt, nerven en pas geheelde wonden. Aan z’n handen kun je zien hoe oud een metser is. Ze moesten hard werken want het was aangenomen werk; ze verdienden een paar gulden voor het verwerken van een duizend stenen, waardoor hun spottend de naam van „Duizend poters” was gegeven.

Met centen in de kerkzak die wekelijks in de andere kerken vragend voor de neuzen der kerkgangers werd gehouden, was het kapitaal voor deze kerk nodig, vergaard. Samen met grote giften, die de paters en de pastoors aanduidden met: „Draag Uw bouwsteen bij” was het kapitaal der geofferde kleintjes uit de kerkzakken een rijk bedrag geworden. De aannemer had een flinke prijs genoemd, toen hem het werk werd opgedragen, hij vreesde geen concurrentie daar hij ook in het kerkbestuur zat, hij was het,
die een architect had benoemd en de architect was op zijn b***t erg voor den aannemerkerkbestuurder geweest. Maar de metsers moesten heel goedkoop de geofferde bouwstenen neerleggen en met hun vereelde knuisten dit kolossale werk voltooien. De sjouwers moesten, voor nog minder, zorgen dat de bijdragen voor Gods tempel voor een paar centen, waar moeder de vrouw niet eens behoorlijk het huishouden van kon doen, vier lange ladders met smalle sporten naar boven kwamen. Hun gekleurd draagkleedje op de schouder en in de nek, was het teken van hun gilde.

De gilde der zwoegers, die ’s morgens een uur eerder begonnen om de kuipen te vullen, met de moeheid van de vorige dag nog in de benen, en die tegen de avond zachtjes begonnen te vloeken, hardop mocht nu niet, want de baas was kerkmeester en het werk was een kerk, maar zachtjes dan, om hun gebed van verwensingen en godlastering omhoog te zenden, omdat hun lichaam bijna niet meer kon. Als zij tegen het einde van de werktijd even luierden, bij de stapels stenen, die maar niet schenen te minderen, schreeuwden van boven de metsers die op stenen stonden te wachten: „Stenen!....” Dan werd met een zucht de tas stenen op de schouder gezet en de monotoon gang van den zwoeger ging weer omhoog, tegen de kerk op, omhoog naar den hemel en als ze boven waren dan knikten hun knieën en vloekte de metser stiekum dat hij niet op kon schieten als hij geen stenen had. Dan weer naar beneden wat eigenlijk uitrusten moest betekenen, weer een tas stenen opnemen, die hun hals schuurde en de schouder van elk gevoel verdoofde er weer de vier lange ladders met de vele sporten, die haast geen einde schenen te hebben, mee op.

Dan gebeurde het dikwijls dat ze achter waren, dat de eerder gebrachte stenen weer door den metser waren verwerkt en deze uitdagend met de handen in de zijde demonstratief stond te wachten, met een smalend lachje op de dorre lippen. Gebeurde dat dikwijls dan was al spoedig de kerkmeesteraannemer er bij die dreigde dat hij, als hij niet mee kon komen: „Maar naar wat anders moest zoeken.” Maar dan was er een onverbreekbare band tussen de sjouwers, de jongere die hun lijven nog niet verspeeld hadden onder de duizenden lasten, wierpen zich voor de ouderen in de strijd, dan renden ze bijna hard de ladders af en zonder de stenen vast te houden er weer op, om de metser die zonder stenen stond, er wat te bezorgen en zo de ouderen makker bij te staan. Met een onverschillig lachje op het vermoeide gelaat dat tegelijker tijd schaamrood was, werden de jongeren bedankt.

Ook Arie stond tussen deze naamloze zwoegers, drie jaar was hij nu metselaar en hoewel hij nog niet volwassen was deed hij toch al hetzelfde werk als een volslagen arbeider. Hij leek ook ouder, zijn gelaat was voller geworden en zijn trekken waren door de vele vermoeienissen verouderd, alleen zijn ogen waren nog die van drie jaar terug. Op zijn verminkte hand was ook eelt gekomen en het was deze hand die ontelbare malen de troffel met wat cement uit de kuip had gehaald en de cement op de stenenlaag had neergesmeten. Zijn linkerhand werd beschermd door een stukje gummiband, dat om duim en vinger zat. Tegelijk met de neergesmeten cement legde deze hand de nieuwe steen op de verse muur. Deze bewegingen waren zo gewoon dat ze als het ware in elkaar waren gevloeid en haast niet meer te onderscheiden.
Zijn lichaam was gespierd en uit de kluiten gewassen, lang en sterk stond hij voor zijn taak, de grote achtergevel der wordende kerk, waar geen raam of deur in zat. Een grote opstaande vlakte, van een steen dikte, waartegen het altaar zou komen te staan, met daarboven het kruisbeeld van den lijdenden Christus.

Duizenden stenen had Arie in zijn handen gehad en ze één voor één op en naast elkaar gelegd. Zo was de hoge muur geworden wat zij was. Zijn pet schuin achterover op zijn blonde vlasharen, die hem hinderend voor de ogen waaiden, zijn werkhemd op de borst open over het naakte lijf waar de kalkspatten op zaten, keek Arie ernstig naar zijn werk. Hij voelde het genot van de arbeid door zijn jonge lichaam stromen en vond bouwen heerlijk. Laag bij de grond was hij begonnen, met de eerste steen op de fundering en was op duizelende hoogte bijna tot aan het dak. En hoewel de stenen ontelbaar in aantal waren, was het net of hij ze stuk voor stuk kende.

Daar en eind beneden hem, bij dat blinde toogje wat er voor versiering was ingemetseld, had hij zo’n moeite gehad om het goed te doen. En die hoeksteen daar, die had hij wel driemaal gehakt voor die goed op maat was, want elke keer gruizelde die rotsteen naar zijn mallemoer. Als er om zes uur een bel luidde die het eind van de dagtaak aangaf, dan werd er „Overal... ” geschreeuwd kon Arie dromerig naar zijn werk staan te kijken.

Arie keek eens op de klok, want je mocht dan van je werk houden, je was toch altijd blij als je naar huis kon gaan. „Drie uur, dus nog een paar uurtjes hurrie op, daar stond ie verdomme weer zonder stenen.” „Stenen…..” brulde Arie, z’n stem klonk mannelijker, niet meer zo schel jongensachtig als vroeger. Maar ouwe Piet hoorde hem weer niet en Arie zag zijn opperman in de diepte op de begane grond, rustig bezig zijn cement met een schop te keren, telkens een scheutje water er bij gooiend en dan maar weer scheppen. Nog een paar maal schreeuwde Arie, maar Ouwe Piet deed net of hij gek was. Toen besloot Arie ten einde raad maar naar beneden te gaan.

Vlug en behendig klauterde hij de vele bouwladders af. Ouwe Piet beweerde met stelligheid dat hij niets gehoord had en dat was ook niet onmogelijk, want Ouwe Piet was erg hardhorend. Met zijn hoog piepstemmetje stond het kromgewerkte mannetje driftig te redeneren, althans daar leek het op, als je hem zo zag, maar in werkelijkheid was Ouwe Piet een sukkel van een mannetje. In het begin had Arie wel eens tegen hem gevloekt, als hij niet hard genoeg sjouwde, maar Piet aanvaardde die uitbrander met een gelatenheid die Arie verlegen maakte. Ook nu weer deed Piet zijn best om Arie tevreden te stellen. „Ik heb je niet gehoord,” piepte hij. „Maar ik weet wat beters,” en hij keek even om zich heen alsof hij iets zocht. Hij beurde twee stukjes steen op van verschillende grootte. „Als je zo’n stukkie naar beneden gooit,” en hij hield Arie het kleinste onder de neus, „dan moet je cement hebben en zo’n stukje, dan stenen.” Arie knikte begrijpend, hij zou deze nieuwe manier maar eens proberen, ging omhoog en nam meteen maar een tas stenen mee. Piet volgde hem op de hielen met net zo'n stapel.

Het eerstvolgende uur sjouwde Piet trouw de stenen omhoog en Arie kon weer werken, maar toen er cement gebracht moest worden, kwam Piet weer achter en spoedig stond Arie met zijn handen in de zijde. Uit gewoonte schreeuwde hij: „Stenen...!” Maar toen bedacht hij zich, zocht een stuk steen van ongeveer dezelfde maat als Piet hem had voorgehouden en wierp het naar beneden naast den scheppende doven opperman. Maar niks hoor, Piet schepte door of zijn leven er van af hing. Nogmaals wierp Arie een stuk steen naar beneden, maar weer zag Piet er niets van. Arie werd er wrevelig van en nam een flink stuk steen, groter dan de afspraak was en gooide dat precies op de kale knikker van den Ouwe. Arie schrok, want Piet gilde hoorbaar en begon woest de ladder op te klauteren. „Nou is de boot an,” flitste het door zijn brein en hij bereidde zich vast voor op een robbertje vechten, of althans een flinke ruzie met den Ouwe.

Hijgend met zijn hand nog steeds op zijn kale knikker, kwam Piet op Arie af. Vlak voor Arie bleef hij staan, met dezelfde hand waarmee hij de bult, die op zijn hoofd was gekomen, bedekte, veegde Piet het zweet van zijn voorhoofd. Hij schraapte zijn keel en met zijn hoge piepstem vroeg hij aan den verwonderde Arie: „Wat mot je nou hebbe, stene of cement!”

Fotobijschrift: Restauratiewerkzaamheden (metselen van een rondboog in de zuidelijke zijbeuk) aan de Geertekerk in 1954.

Adres

Domplein
Utrecht
3500

Website

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Utrecht (vroeger en nu) nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Delen